Spelregel Toelichting 19/20

Spelregel 2.3b “voordeelregel”

Het is voor de PRC duidelijk dat wanneer de niet-overtredende ploeg in balbezit blijft, na een overtreding die tot een spelhervatting zou leiden, dat de niet-overtredende ploeg dan niet in het nadeel is, en dat van de scheidsrechter verwacht wordt dat hij de overtreding niet bestraft. In deze situatie wordt de ‘voordeelregel’ toegepast, omdat de niet-overtredende ploeg zich in dezelfde situatie bevindt als wanneer de overtreding niet zou hebben plaatsgevonden. Het is duidelijk dat er geen sprake van voordeel is, wanneer een overtreding zou leiden tot het toekennen van een vrije worp of strafworp, zoals vermeld onder 3.6 van de Spelregels Korfbal. Hetzelfde geldt ook voor zware overtredingen zoals fysieke overtredingen waarbij sprake is van ongecontroleerd contact, of overtredingen die ten doel hebben  – of die resulteren in –  het ontregelen van het aanvalsspel; voor overtredingen die herhaaldelijk het aanvalsspel onbehoorlijk belemmeren of zeer zware overtredingen, waardoor een scoringskans verloren gaat.  In deze situaties dient de scheidsrechter een vrije worp of strafworp toe te kennen.

 De PRC stelt ook duidelijk dat de stand of fase van de wedstrijd, of de stand van de schotklok geen invloed heeft op het toepassen van spelregel 2.3b.  De scheidsrechter dient de stand of fase in de wedstrijd of de tijd resterend op de schotklok niet mee te laten wegen in het toepassen van de ‘voordeelregel’ De PRC merkt op dat het spelverloop vaak wordt onderbroken door het niet toepassen van de ‘voordeelregel’, hoewel de niet-overtredende ploeg geen nadeel ondervindt. Het volgende voorbeeld wordt gegeven: Er is geen sprake van nadeel voor de niet-overtredende ploeg – en daarom onderbreekt de scheidsrechter het spel niet en past hij de ‘voordeelregel’ toe, wanneer er een overtreding wordt gemaakt op een aanvaller die zou resulteren in een spelhervatting, de niet-overtredende ploeg in balbezit blijft en de schotklok nog 1 seconde aangeeft.

 3.6  Spelovertredingen g het spel op te houden

 Voorbeelden van spel ophouden zijn: 1) treuzelen bij het overplaatsen van de bal; 2) de bal van de aanval naar de verdediging terugplaatsen, tenzij dit gebeurt om een aanval beter op te zetten; 3) ver doorvoeren van samenspel, dat onvoldoende gericht is op het op brengen van de bal naar het aanvalsvak; 4) ver doorvoeren van samenspel, dat onvoldoende gericht is op het scheppen van schotkansen; 5) het bewust negeren van duidelijke schotkansen; 6) het klemmen van de bal tussen de bovenbenen.

 Het is voor de Playing Rules Committee (PRC) duidelijk dat het ophouden van het spel tijdens de gehele wedstrijd kan plaatsvinden, en dat scheidsrechter de gedragingen van de spelers in dit licht moet beoordelen of er sprake is van ophouden van het spel. De PRC benadrukt dat het ophouden van het spel zowel kan gebeuren – en daadwerkelijke gebeurt –  in de beginfase als in de slotfasen van de wedstrijd. In het bijzonder merkt de PRC op dat scheidsrechters er zorg voor dienen te dragen dat ploegen het spel niet ophouden bij het opbrengen van de bal van verdediging naar aanval, en dat elke overtreding van dit type wordt bestraft – of het nu gebeurt in de begin-, midden- of eindfase van de wedstrijd.

 

Wij verzoeken iedereen goed kennis te nemen van deze toelichtingen op de spelregels. 

Geef een reactie